Meer
Publicatiedatum: 15-12-2020

Inhoud

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Inhoud

Weerstandsvermogen en weerstandscapaciteit

Definitie weerstandsvermogen

Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen of waar na het treffen van maatregelen nog restrisico’s overblijven, met de kans dat deze risico’s zich voordoen. De verhouding wordt uitgedrukt in een ratio.

Ratio weerstandsvermogen is beschikbare weerstandscapaciteit gedeeld door benodigde weerstandscapaciteit (risico's)

Beleid voor weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het beleid ten aanzien van risico’s en weerstandsvermogen hebben wij vastgelegd in de Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen 2017.
Wij streven na om geen onnodige risico’s te lopen, en zoveel mogelijk risico’s af te dekken, mits financieel verantwoord. Risico’s die niet worden afgedekt door bijvoorbeeld een verzekering of een voorziening, moeten kunnen worden opgevangen door de beschikbare weerstandscapaciteit.

De definitie van een risico luidt als volgt: De kans op het optreden van een gebeurtenis, die zowel positieve als negatieve gevolgen voor de gemeente kan hebben, waarvan de omvang nog onbekend is, maar van materiële betekenis kan zijn (groter dan N 250).

Eenvoudiger gezegd bestaat een risico dus uit kans * impact. In lijn met de genoemde beleidsnota hanteren we voor wat betreft de kans van voordoen hanteren we drie varianten: lage kans (25%), gemiddelde kans (50%) en hoge kans (75%). Voor wat betreft de impact, zijn er drie varianten mogelijk:

  1. Als de impact redelijk goed in te schatten is: als vaste waarde;
  2. Als de impact moeilijker in te schatten is: met een bandbreedte, waarin we een onder- en bovengrens geven en we rekenen met het gemiddelde;
  3. Als de impact (nog) niet in te schatten is: als pm.

Bij risico’s met een incidenteel karakter hanteren we een factor van 1, omdat het risico zich in één keer voor zal kunnen doen. Voor risico’s met een structureel karakter hanteren we een factor van 5 , gebaseerd op het lopende begrotingsjaar en de vier begrotingsjaren erna. Dat betekent dat de weerstandscapaciteit vijf maal zo groot moet zijn dan het totaalbedrag van het structurele risico.

De kwaliteit van het weerstandsvermogen wordt bij iedere document van de P&C cyclus gemeten. Dat wil zeggen dat we het weerstandsvermogen actualiseren en ook de risico’s opnieuw beoordelen. Zo kan het zijn dat er telkens nieuwe risico’s worden geïdentificeerd en dat eerder geconstateerde risico’s verdwijnen.

Berekening benodigde weerstandscapaciteit (=risico's)

In het Overzicht Risico’s in deze paragraaf, geven we een overzicht van de risico’s die  nog bestaan en geven we aan wat die risico’s voor dit jaar en latere jaren betekenen.

De totaallijst van risico's is als volgt:

  1. Algemene uitkering gemeentefonds
  2. Fiscaliteiten
  3. Dividenden
  4. Verleende borgstellingen voor instellingen
  5. Oplopende rentelasten
  6. Niet of onvoldoende geraamde vervangingsinvesteringen
  7. Positie Waarborgfonds sociale woningbouw (WSW)
  8. Participatiewet 
  9. Jeugdhulp
  10. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
  11. Uitspraak Centrale Raad voor Beroep voor huishoudelijke ondersteuning
  12. Openeinderegelingen voor inkomensondersteunende regelingen
  13. Onderwijshuisvesting voortgezet bijzonder onderwijs
  14. Daling en stijging leerlingen onderwijshuisvesting
  15. Nieuwbouw voortvloeiende uit Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs
  16. Overschrijding budget door hogere aanneemsom 
  17. Grondexploitaties
  18. Kosten coronacrisis Veiligheidsregio - nieuw sinds Begroting 2021
  19. Asbestsanering onderwijspanden SHO - vervalt in NJN 2020 i.v.m. opnemen in begroting

Nr. 1 t/m 7 algemene risico's, nr. 8 t/m12 sociaal domein risico's, nr. 13 t/m 19 overige risico's. 

De risico’s die gekwantificeerd zijn, hebben wij in de onderstaande tabel opgenomen. Het betreft risico’s die structureel zijn en daarom vermenigvuldigd worden met 5.

In de onderstaande tabel staat de benodigde weerstandscapaciteit uitgerekend. Met een I of S is aangegeven of de risico's incidenteel of structureel zijn.  Voor de kans van voordoen wordt in principe gekozen voor 25%, 50% of 75%, oftewel laag-middel-hoog. Bij sommige risico's is een afwijkend lager percentage genomen, omdat de kans weliswaar heel klein is, maar de mogelijke impact nog wel groot. 

Berekening benodigde weerstandscapaciteit / risico's Risico = kans * impact
Nr. Risico's I/S* Kans Impact Riscobedrag
2020 2021 2022 2023 2024
3 Dividenden (Stedin) S 67% 890 N593 N593
4 Verleende garanties voor instellingen S 5% 11.402 N570 N570 N570 N570 N570
7 Positie Waarborgfonds sociale woningbouw (WSW) S 1% 296.692 N2.967 N2.967 N2.967 N2.967 N2.967
11 Uitspraak Centrale Raad van Beroep Huishoudelijke Ondersteuning (Wmo) S 25% 900 N225 N225 N225 N225 N225
13 Onderwijshuisvesting voortgezet bijzonder onderwijs S 75% 888 N666 N666 N666 N666 N666
15 Nieuwbouw voortvloeiende uit SHO S 75% 150 N113 N113 N113 N113 N113
16 Grondexploitaties S 50% 700 N350 N350 N350 N350 N350
Subtotaal structureel N4.891 N4.891 N4.891 N5.483 N5.483
Totaal, vermenigvuldigen met 5 N24.453 N24.453 N24.453 N27.416 N27.416
*) I = Incidenteel (1 jaar) S=structureel (4 of 5 jaar)

Bepaling beschikbare weerstandscapaciteit en weerstandsratio

Hieronder staat de beschikbare weerstandscapaciteit en de berekening van de weerstandsratio. Voor de stand van de reserves is uitgegaan van de stand per 1 januari van het jaar. Verder is het begrote rekeningsaldo niet in latere jaren toegevoegd aan de algemene reserve, omdat dit afhankelijk is van besluitvorming van uw raad bij de jaarrekening. 

Ook de afgelopen jaren is de weerstandsratio ruim beter geweest dan het minimale van 1,0.
De weerstandsratio heeft zich als volgt ontwikkeld (rekeningcijfers): 2016: 3,0 / 2017: 6,7 / 2018: 11,0 / 2019: 3,5. 

Beschikbare weerstandscapaciteit 2020 2021 2022 2023 2024
Rekeningssaldo V83.455 N2.152 N1.256 V1.357 V 202
Post onvoorzien N 0 V 33 V 33 V 33 V 33
Algemene Reserve minimumniveau * V10.000 V10.000 V10.000 V10.000 V10.000
Algemene reserve * V56.441 V63.504 V63.504 V63.504 V63.504
Bestemmingsreserves * V10.865 V8.717 V3.148 V3.129 N2.809
Totaal beschikbare weerstandscapaciteit V160.761 V80.102 V75.429 V78.023 V70.930
*) Reserves: stand per 1-1
Berekening weerstandsratio 2021 2021 2022 2023 2024
Benodigde weerstandscapaciteit N 24.453 N 24.453 N 24.453 N 27.416 N 27.416
Beschikbare weerstandscapaciteit V 160.761 V 80.102 V 75.429 V 78.023 V 70.930
Weerstandsratio 6,6 3,3 3,1 2,8 2,6

Algemene risico's

1. Algemene uitkering Gemeentefonds

Omschrijving risico
De algemene uitkering van het Gemeentefonds is de belangrijkste inkomstenbron voor onze gemeente. Het risico bestaat hieruit dat de feitelijke inkomsten afwijken ten opzichte van de bedragen waar wij in de begroting rekening mee houden. In de praktijk blijkt vaak dat het Rijk werkt met “dagkoersen”, waardoor de wijzigingen in het fonds niet te voorspellen zijn.
Het fonds volgt voor een belangrijk deel de uitgaven van de Rijksoverheid, volgens de systematiek van ‘samen de trap op, samen de trap af’: als het Rijk meer uitgeeft, ontvangen gemeenten ook meer en andersom geldt hetzelfde.

Specifieke risico’s
Er zijn verschillende onzekerheden met betrekking tot de hoogte van de algemene uitkering:
A. De moeilijkheid met betrekking tot het juist kunnen inschatten van de algemene uitkering en met name het accres (= groei van het fonds) is één van de grootste risico’s. Te vaak is sprake van dagkoersen. Het belemmert het zorgvuldig kunnen voeren van de financiële huishouding. In de Najaarsnota 2019 hebben wij daarom een voorzichtere manier van het berekenen van het accres verwerkt (zie verder het onderdeel ‘beheersingsmaatregelen’).  In de Septembercirculaire 2020 werd duidelijk dat het hele meerjarige accres bevroren wordt, waardoor we voorlopig geen mutaties meer hoeven te verwachten. Onzeker is wanneer de gebruikelijke "trap op, trap af" systematiek weer wordt aangezet.

B. Het kabinet heeft eind maart 2018 aangekondigd de ambitie te hebben om de aardgasproductie in Groningen terug te schroeven zodat deze helemaal 0 is in het jaar 2030. Dit betekent dat het Rijk minder inkomsten aan aardgasbaten ontvangt. Mogelijk heeft dit ook gevolgen voor de uitgaven van het Rijk, als er bezuinigd moet worden om de begroting sluitend te houden. Dit kan dan weer gevolgen hebben voor het accres van het gemeentefonds, omdat deze gekoppeld is aan de uitgaven van het Rijk. In de Meicirculaire 2018 was al te lezen dat het accres iets lager uitvalt, omdat het Rijk in haar voorjaarsnota rekening houdt met minder gasbaten, waardoor ook de lasten meerjarig omlaag moesten. Mogelijk volgt er in latere circulaires meer informatie over dit onderwerp.

C. Het BTW-compensatiefonds (BCF) wordt verrekend met het gemeentefonds. De afgelopen jaren is er ruimte onder het BCF-plafond geweest, maar deze ruimte wordt wel beperkter. Dit komt omdat gemeenten meer gaan investeren en daarmee meer gaan declareren in het BCF. Onze provinciaal toezichthouder waarschuwt ons dat de situatie ook om kan slaan naar een overschrijding van het plafond. In dat geval zouden gemeenten gekort worden op de algemene uitkering. De afrekening in het jaar 2019 was V 130 positief en in het jaar 2020 V 391 positief.

D. Het accres wordt altijd nagecalculeerd en verrekend in de Meicirculaire. Soms is er sprake van onderuitputting van de rijksbegroting in een bepaald jaar, bijvoorbeeld in 2018. Toen moesten we N 573 nadelig verwerken (verrekening in jaar 2019). In 2019 was er gelukkig een positieve afrekening  van V 130 (verrekening in jaar 2020).  

E. Op dit moment wordt er een groot onderzoek ‘herziening gemeentefonds’ uitgevoerd. Deze herziening kan leiden tot aanpassingen in de verdeelmaatstaven en daarmee tot herverdeeleffecten tussen gemeenten. De vorige herziening in 2014 leidde tot gunstige verdeeleffecten voor plattelandsgemeenten en nadelige effecten voor stedelijke gemeenten zoals onze gemeente. De uitkomsten van het onderzoek en de besluitvorming gaan waarschijnlijk gelden vanaf uitkeringsjaar 2022.

F. De uitspraak van de Raad van State over de zogenaamde ‘stikstofnorm’ zet mogelijk een streep door veel investeringen van de Rijksoverheid. Omdat het Rijk begroot met een kasstelsel, tellen investeringen ook mee voor de totale rijksuitgaven, en daarmee voor het accres. Het risico bestaat dus dat het accres daalt. In het najaar van 2019 heeft het kabinet een aantal besluiten genomen, waardoor verschillende vergunningen weer verleend konden worden. Het kabinet werkt nog aan de verdere oplossing van de zogenaamde ‘stikstofcrisis’.

G. In de Meicirculaire 2019 hebben gemeenten extra middelen voor Jeugdhulp ontvangen voor de jaren 2019, 2020 en 2021.  In de Septembercirculaire 2020 werd dit ook verlengd naar het jaar 2022. Volgens onze toezichthouder is het toegestaan dat we deze middelen als structureel aanmerken, ook al heeft er nog geen besluitvorming van het Rijk plaatsgevonden over eventuele continuering. Wij hebben er in de Begroting 2021 ook voor gekozen om de middelen in de begroting door te trekken. Het gaat om V 1.326 structureel vanaf 2023. Of we deze middelen daadwerkelijk ontvangen, is afhankelijk van besluitvorming van het nieuwe kabinet. 

H. Vanwege de coronacrisis geeft het Rijk  financiële tegemoetkomingen aan gemeenten, zoals het incidenteel opschorten van de opschalingskorting in 2020 en 2021. Dit is dus een positieve ontwikkeling. Meer informatie hierover staat op programma 0. 

Bandbreedte financiële gevolgen
Het gemeentefonds is erg onvoorspelbaar en het is niet mogelijk om de mogelijke effecten goed te kwantificeren. De ervaring van de afgelopen jaren is dat er zowel grote voor- als nadelen kunnen ontstaan. Daarom staat dit bedrag op P.M.

Beheersingsmaatregelen
In de Najaarsnota 2019 hebben wij ‘stelpost voorzichtigheid’ opgenomen, om heel hoge accrespercentages te verlagen tot het gemiddelde accrespercentage van de afgelopen ca. 25 jaar. Hiermee creëren we voor een aantal jaar een voorzichtige begroting. In 2022 betreft dit N 931 en in 2025 N 382.

Verloop
Eerste moment van opname: Voorjaarsnota 2012
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Afdeling Financiën
Bestuurlijk: Wethouder Van Veen

Communicatie
n.v.t.

Bewaking
De afdeling Financiën volgt de ontwikkelingen van het Gemeentefonds.

Ondernomen en mogelijke acties
De laatst gepubliceerde circulaire is de Septembercirculaire 2020. Deze verwerken wij in  de Najaarsnota 2020. Hierin verwerken we ook de jaarschijf 2020 vanuit de Meicirculaire 2020. 

2. Fiscaliteiten

Omschrijving risico
Belastingen worden geheven aan de hand van wet- en regelgeving die continu in beweging is. Omdat de gemeente op vele onderdelen opereert dient zij rekening te houden met vele bijzonderheden in de uitvoering van deze wetten en de interpretatie hiervan. Hierbij loopt de gemeente een risico dat er wel eens een afwijking optreedt. In het jaar 2019 heeft de gemeente in totaal € 28,5 miljoen aan fiscale transacties gehad. Het gaat hier om de btw, btw-compensatiefonds, loonheffingen op salarissen en vennootschapsbelasting.

Specifieke risico’s

BTW grondexploitaties
De belastingdienst heeft vragen gesteld over de belastingaangifte 2018 over de grondexploitaties. Als gevolg van de toegezonden stukken heeft de belastingdienst een brief gestuurd over de inrichting van de administratie en het boeken van facturen voor wat betreft de btw en het recht op aftrek van de btw. Om een juiste aangifte te doen is er onderzoek gedaan o.a. met Deloitte en is er een herziende opgave gedaan. Deze herziende aangifte heeft ook effect op de reguliere aangifte en het BCF. Wij zijn met de belastingdienst bezig om in compliance te komen. Voor 2019 dient hierover nog een suppletie te worden aangeleverd. Afhankelijk van de suppletie kan de belastingdienst over 2019 en eerder wederom vragen stellen en mogelijk een onderzoek plegen in het jaar 2020. Mogelijke correcties kunnen ook effect hebben op de vpb.

BTW over het jaar 2019
Als gevolg van de problematiek bij de grondexploitaties, onjuist verwerkte memo’s en grove manco’s bij het facturenregistratie programma Proactis zijn er fouten ontstaan in de aangiften richting de Belastingdienst. We gaan in gesprek met de belastingdienst om te kijken hoe we deze fouten kunnen herstellen. Het gaat hier zowel over de aangifte BCF als die van de reguliere BTW.

BTW reintegratiegelden 2015-2019
Als gevolg van de uitspraak over btw op re-integratie ontstaat hier een positief risico op teruggaven van een deel van de btw op de re-integratiegelden uit het BCF. Dit stond al in de stijgers vanaf 2015 maar als gevolg van een fiscale rechtszaak op dit gebied zijn alle onderhandelingen destijds bevroren.
We zullen afhankelijk van feiten en omstandigheden nog geld terug ontvangen. De bedragen zijn niet zo groot als die van 2009-2014 omdat de systematiek gewijzigd is en ook veel zaken zelf worden.

BTW Nedvang
De gemeenten krijgen voor het scheiden van het afval een bijdragen uit het fonds van Nedvang. Omdat dit geen wettelijke taak was (per juni 2020 is dit veranderd), is de belastingdienst landelijk bezig om de btw op deze bijdrage te vorderen. De gemeenten dienen dus een nota over de ontvangsten van de afgelopen 5 jaar een rekening sturen en voor de btw over de gemaakte kosten een correctie moeten maken op de aangiften BCF. In de administratie is er echter geen scheiding gemaakt over deze stromen en zal er nader onderzoek moeten worden gedaan over de kosten.
Het is allemaal een eenmalig handeling, maar door de correcties wordt er wel een rente door de belastingdienst opgelegd conform hun staffel. De hoogte is afhankelijk van de kosten.

Vennootschapsbelasting
Per 1 januari 2016 zijn overheidsinstellingen onderworpen aan de Wet op de Vennootschapsbelasting (Vpb).
VPB reclame inkomsten
Vanaf 2016 moeten wij Vpb betalen over onze reclame inkomsten (commerciële contracten), echter meerjarige contracten voor deze datum hebben nog niet geleid tot een aanslag. Vanaf 2020 is er echter een omslag omdat deze contracten aflopen. In de Najaarsnota 2019 hebben wij hiervoor bedragen opgenomen in onze begroting. We lopen ook nog het risico dat de belastingdienst het niet eens is met onze eerdere nul-aangiften. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt de maximale heffing 842 inclusief cumulatieve fiscale rente van 8%.

VPB grondexploitatie
Fiscaal wordt winst op een andere manier berekend dan de gemeente Capelle aan den IJssel dit doet voor grondexploitaties. Kort gezegd zijn de grondexploitaties die worden gepresenteerd in de P&C documenten op commerciële basis waarin keuzes worden gemaakt om kosten al dan niet toe te rekenen aan de grondexploitatie. Echter dit vertegenwoordig niet waarde conform de (fiscale) eisen van goed koopmansgebruik voor het bepalen van het resultaat in een jaar (winst/verlies).
Kosten dienen fiscaal worden toegerekend op goed koopmansgebruik met in achtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. Bij het controleren van de belastingdienst zal inhoudelijk worden gekeken (op factuur of memoriaal basis) of alle kosten wel juist zijn verantwoord en wel redelijkerwijs behoren in de berekening van het resultaat in een jaar.
Kosten die ter discussie komen te staan en niet kunnen worden onderbouwd aan de hand van de vastgelegde administratie (externe facturen) of toerekeningen van commerciële tarieven aan het grondbedrijf, worden gecorrigeerd. In de praktijk houdt dit vaak in dat niet de berekening van het resultaat een andere methode wordt aangehouden.
Vanaf 2016 is er op basis van een Quickscan bepaald dat onze grondexploitatie niet door de ondernemerspoort komt, door verliezen uit het verleden. Of de belastingdienst akkoord is met het bepalen van de beginbalans en de jaarwinsten vanaf 2016 is niet bevestigd en de jaarlijkse scan is intern niet gecontroleerd. Omdat er na 2016 de ontwikkelingen niet stil zijn blijven staan en dat de Quickscan niet waterproof blijkt te zijn is er besloten om door PWC een onderzoek te doen naar onze grondexploitaties in kader van de winstgevendheid. Dit rapport zal medio november 2020 bekend zijn.

Bandbreedte financiële gevolgen
P.M.

Beheersingsmaatregelen
Wij monitoren de landelijke ontwikkelingen en beoordelen de fiscale transacties van onze gemeente.

Verloop
1e moment van opname: Begroting 2014,
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Verantwoordelijkheden
Ambtelijk: afdeling Financiën
Bestuurlijk: wethouder Van Veen

Communicatie
Wij rapporteren over ontwikkelingen bij de diverse P&C-documenten of, als dat nodig is, afzonderlijk.

Bewaking
De afdeling financiën heeft specialistische kennis in huis of huurt hiervoor extern in en ziet toe op de juiste toepassing van de fiscale voorschriften. Door de manier van bedrijfsvoering blijft iedere afdeling zelf verantwoordelijk voor de fiscale juistheid en bepalen zelf om adviezen op te volgen.

3. Dividenden

Omschrijving risico
Wij zijn aandeelhouder van onder andere Stedin N.V., N.V. Irado en B.V. Gemeenschappelijk Bezit Evides (Evides) en ontvangen hier jaarlijks dividend voor. Het risico bestaat hierin dat het dividend lager of hoger is dan waar wij in de begroting rekening mee houden.
Onder de tekst staat een tabel met de betreffende bedragen.

Specifieke risico’s
Stedin
De gemeente is samen met 43 andere gemeenten eigenaar van Stedin N.V. Per 31 januari 2017 is de splitsing van het netwerkbedrijf (Stedin N.V.) en het energiebedrijf (Eneco N.V.) gerealiseerd. U heeft als gemeenteraad ingestemd met deze splitsing. De splitsing heeft vooralsnog geen directe financiële effecten op de waardering van het aandeel/ de aandelen en het dividend. Voor het dividend van Stedin bestaat in algemene zin het risico dat wij minder aan dividend ontvangen dan begroot.

Stedin duidt een aanmerkelijk lager resultaat voor 2020 dan eerder werd aangenomen. Dat resulteert op basis van de huidige afspraken in een lager dividend. In de Najaarsnota 2019 hebben wij daarom reeds voorgesorteerd op dit mogelijke risico. Wij hebben het dividend voor de jaren 2020 en 2021 (uit te betalen in 2021 en 2022) naar nul gebracht. 

Samen met de Aandeelhouderscommissie en Stedin is een werkgroep Lange Termijn Financiering (LTF) samengesteld. Het doel van deze werkgroep is om samen met Stedin te kijken waar de uitdagingen liggen voor Stedin met betrekking tot de energietransitie en hoe dit financieel vertaald wordt en wat de mogelijke oplossingsrichtingen kunnen zijn. Er wordt voor de langere termijn binnen de werkgroep LTF naar diverse oplossingsrichtingen gekeken hoe de extra investeringen gefinancierd kunnen worden.
De verwachting is reëel dat het dividend, vanwege de benodigde oplopende investeringen voor Stedin, de doorbelastingen van Tennet, in samenhang met de wet- en regelgeving voor netbeheerders, meerjarig structureel beduidend lager zal worden. Rekening gehouden zal moeten worden met een dividend dat zal afnemen naar circa nihil. Eveneens bestaat een reële mogelijkheid dat aan de aandeelhouders gevraagd zal worden een bijdrage (in welke vorm dan ook) te leveren aan de benodigde financiering van de extra investeringen. Positief aspect daarbij zal zijn dat daar een verwacht positief rendement tegenover zal staan. Wij wachten de uitkomsten van de werkgroep LTF af. Naar alle waarschijnlijkheid wordt in het vierde kwartaal van 2020 een informatieavond georganiseerd waar de aandeelhoudende gemeenten worden geïnformeerd over een mogelijke kapitaalvraag en alle mogelijke effecten op ons toekomstige dividend.

Evides
Bij de Voorjaarsnota 2020 hebben we op basis van de dividendprognose het begroot dividend voor Evides meerjarig aangepast. Voor het dividend van Evides bestaat in algemene zin het risico dat wij minder aan dividend ontvangen dan begroot. In deze Najaarsnota 2020 staat een voorstel voor het verlagen van het meerjarig dividend, om de solvabiliteit van Evides te verhogen.

Irado
Sinds 1 januari 2018 zijn we aandeelhouder geworden van Irado. Wij bezitten, net als de gemeenten Schiedam en Vlaardingen, 1/3 deel van de aandelen. Op basis van de historische resultaten hebben wij een dividend begroot vanaf 2019 van 330. Vanwege de impact van de coronacrisis is het dividend van boekjaar 2019 (te ontvangen in 2020) verlaagd van V 330 naar V 110. Ook het dividend 2020 (te ontvangen in 2021) is naar verwachting N 83 lager (25%). In de Najaarsnota 2020 verwerken wij dit in de begroting.

Bank Nederlandse Gemeenten (BNG)
We ontvangen ook jaarlijks dividend van de BNG. Vanwege de coronacrisis is het dividend 2019 (uit te keren in 2020) opgeschort. Jaarlijkse begroting is V 9. 

We ontvingen in 2020 voor het laatst dividend van Eneco, maar vanaf 2021 niet meer, omdat de aandelen verkocht zijn.

Bandbreedte financiële gevolgen
Op dit moment is vooral het dividend van Stedin risicovol. In 2021 en 2022 hebben we dit afgeraamd naar 0, maar in 2023 en 2024 nog niet. We calculeren het risico als volgt: 2/3e kans oftewel 67% kans op het niet realiseren van het begrote dividend van V 890. 

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Financiën
Bestuurlijk: wethouder Van Veen

Verloop
Eerste moment van opname: Begroting 2016
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Beheersingsmaatregelen
Wij volgen de ontwikkelingen rondom de wetgeving en de bestuursbesluiten van Stedin, Irado en Evides nauwlettend.

Informatie en communicatie
We rapporteren over de ontwikkelingen bij de diverse P&C-documenten.

Bewaking
De afdeling Financiën volgt de ontwikkelingen.

Ondernomen en mogelijke acties
Niet van toepassing.

Nutsbedrijf / Bank Rekening 2018 Rekening 2019 Begroting 2020 Begroting 2021 Begroting 2022 Begroting 2023 Begroting 2024
Eneco N.V. V1.181 V1.295 V1.295 N0 N0 N0 N0
Stedin N.V. V534 V869 V971 N0 N0 V285 V285
Evides N.V. V695 V695 V600 V498 V426 V426 V444
Irado N.V. n.v.t. V366 V110 V247 V330 V330 V330
BNG V20 V22 N0 V9 V9 V9 V9
Totaal V2.430 V3.247 V2.976 V754 V765 V1.050 V1.068

4. Verleende borgstellingen voor instellingen

Omschrijving risico
Voor een aantal verenigingen en stichtingen staan wij garant voor leningen die zij zijn aangegaan. Het risico bestaat hierin dat als deze organisaties niet meer aan hun verplichtingen tot terugbetaling kunnen voldoen, de leningverstrekker een beroep kan doen op ons.

Specifieke risico’s
Vanwege aanvullende voorschriften van de provincie in het kader van het financieel toezicht, is dit een verplicht onderdeel geworden bij de bepaling van het weerstandsvermogen. Het betreft garanties voor leningen waarvoor de gemeente 100% garant staat, zonder betrokkenheid van een andere waarborginstelling. Het gaat om leningen aan Verpleeghuis Rijckehove, St. IJsselland ziekenhuis, VV Capelle en het Rijksmonument Dorpsstraat 164, in totaliteit een bedrag van 11.402 (voorlopig bedrag per 31-12-2019).

Bandbreedte financiële gevolgen
De ervaring leert dat geen enkele garantie wordt aangesproken. Vanuit het voorzichtigheidsbeginsel is het raadzaam een percentage te hanteren om de risico’s van deze garantstellingen te kwantificeren. Wij hebben dit percentage vastgesteld op 5%. Het risico komt dan uit op circa 570 (11.402 x 5%). 

Verloop
Eerste moment van opname: begroting 2014.
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Beheersingsmaatregelen
De Verordening Garantstellingen Gemeente Capelle aan den IJssel 2016.

Verantwoordelijkheden
Ambtelijk:         afdeling Financiën
Bestuurlijk:       wethouder Van Veen

Communicatie
We rapporteren over de ontwikkelingen bij de diverse P&C-documenten.

Bewaking
Bij de toetsing van de jaarstukken van de betrokken instellingen wordt gelet op het risico voor de gemeente.

5. Oplopende rentelasten

Omschrijving risico
Het risico bestaat dat we op termijn onvoldoende rentelasten in onze begroting verwerkt hebben.

Specifieke risico’s
Uit de liquiditeitsprognose blijkt dat er sprake is van een financieringsbehoefte gedurende, maar ook na, de looptijd van onze meerjarenbegroting. Door het hanteren van een oplopend rentepercentage in latere jaren zal er sprake zijn van een oplopende rentelast.

Bandbreedte financiële gevolgen
Alle op dit moment geprognosticeerde rentelasten zijn verwerkt in de begroting. De gehanteerde rentepercentages zijn: 2020 en 2021: 0,5%; 2022 en 2023: 1,0%; 2024 en 2025: 1,5% en 2026 t/m 2028: 2,0%.

Wij presenteren hier in het vervolg een doorkijk naar de 4 jaar na de begrotingsperiode voor de geprognosticeerde nog aan te ramen rentelasten. Deze prognose is op basis van een aanname van historische investeringen en de van toepassing zijnde meerjarenbegroting . De rentelasten in deze doorkijk zijn als volgt. Ze maken deel uit van de meerjarige doorkijk in de begroting.

2024

2026

2027

2028

N 298

N 602

N 809

N 916


Beheersingsmaatregelen
De beste beheersingsmaatregel is om structureel en reëel evenwicht in de begroting te hebben. Hierbij dienen de inkomsten ten minste gelijk te zijn aan de uitgaven en de investeringen maximaal de afschrijvingslast te bedragen. Het resterend risico is dan een stijgend rentepercentage.

Verloop
Eerste moment van opname: Voorjaarsnota 2018.

Verantwoordelijken
Ambtelijk:     afdeling Financiën
Bestuurlijk:    wethouder Van Veen

Communicatie
In deze risicoparagraaf zullen wij communiceren over de verwachte financiële ontwikkelingen.

Bewaking
Wij monitoren continu de ontwikkeling van de rente.

Ondernomen en mogelijke acties
Wij verwerken in de voorjaarsnota, begroting en najaarsnota de meerjarige ontwikkeling van de rente.

6. Niet of onvoldoende geraamde vervangingsinvesteringen

Omschrijving risico
Het risico bestaat hierin dat we op termijn in onze begroting onvoldoende kapitaallasten verwerkt hebben van bijvoorbeeld (vervangings-)investeringen in gebouwen, openbare ruimte (IBOR) en herstructureringen, maar ook voor de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er sprake van het risico op inflatie.

Specifieke risico’s
Het risico is dat investeringskosten onderhevig zijn aan inflatie en dat investeringen hoger uitvallen dan begroot. Investeringen in activa zoals panden of objecten in de openbare ruimte hebben vaak een doorlooptijd van meerdere jaren. In deze periode kunnen de bouw- of projectkosten toenemen, waardoor de begroting van de investeringskredieten overschreden wordt. Een overschrijding van een investeringskrediet leidt tot een onrechtmatigheid in de jaarrekening van de gemeente.
Eerder hebt u besloten de begroting duurzaam te willen transformeren. De eerste grote stappen daartoe zijn gezet met uw besluit het ten laste van de jaarlijkse exploitatie brengen van de afschrijvingslasten van de investeringen in de openbare ruimte (IBOR), de unilocaties voorgezet onderwijs en de sportparken. Tot en met het jaar 2023 zijn de afschrijvingslasten in de begroting verwerkt. De komende jaren – vanaf 2024 – zullen echter nieuwe structurele afschrijvingslasten ontstaan bij het investeren in nieuwe (school-)gebouwen, in de openbare ruimte (IBOR) en herstructureringsprojecten, die in de begroting verwerkt zullen moeten worden.

Bandbreedte financiële gevolgen
Alle op dit moment in beeld zijnde afschrijvingslasten zijn verwerkt in de (meerjaren)begroting 2019 tot en met 2023. Conform de toezegging bij de Voorjaarsnota 2017 presenteren we hier in het vervolg een doorkijk naar de 4 jaar na de begrotingsperiode voor de geprognosticeerde nog aan te ramen afschrijvingslasten. Deze prognose is op basis van een aanname van historische investeringen, toekomstige investeringen (zoals de 2e fase Comenius college, een resterend bedrag van 12 miljoen na besluitvorming in de Voorjaarsnota 2019) en de reeds geplande afschrijvingslasten. De gehanteerde gemiddelde afschrijvingstermijn voor de nieuwe investeringen is 25 jaar. De afschrijvingslasten in de jaren 2024 tot en met 2027 zijn als volgt. Ze maken deel uit van de meerjarige doorkijk in de begroting.

2025

2026

2027

2028

N 662

N 1.144 N 2.075 N 2.585


Beheersingsmaatregelen
Uw besluit de begroting duurzaam te willen transformeren, is de meest effectieve beheersingsmaatregel. Bij elk P&C document nemen we de te verwerken nieuwe afschrijvingslasten mee in de afwegingen.

Verloop
Eerste moment van opname: Jaarrekening 2009.
Geactualiseerd: Jaarrekening 2010 (informatie over ondernomen en mogelijke acties), Begroting 2012 (informatie over genomen actie), Begroting 2014 (aanpassing naar aanleiding van transformatie), elk P&C-document sindsdien.

Verantwoordelijken
Ambtelijk:         Directie
Bestuurlijk:       wethouder Van Veen

Communicatie
In deze risicoparagraaf communiceren wij over de verwachte financiële ontwikkelingen.

Bewaking
Bij elke investering informeren wij u over de gevolgen voor de afschrijvingslasten. Daarnaast beoordelen we bij de jaarrekening de activa op bestaan.

Ondernomen en mogelijke acties
In de financiële doorkijk na de meerjarenbegroting hebben we de toename van de afschrijvingslasten opgenomen.

7. Positie waarborgfonds sociale woningbouw (WSW)

Omschrijving risico
Wij zijn als tertiaire achtervang verantwoordelijk voor leningen van woningcorporaties, na het waarborgfonds sociaal domein (WSW) en de woningcorporaties. Ondanks dat er signalen waren dat het minder goed gaat met de financiële positie van het WSW, heeft Standard & Poor’s in 2020 de AAA-rating aan het WSW toegekend, hun positie wordt in 2020 stabiel geacht. Zij verwachten dat de Nederlandse overheid, zo nodig, tijdelijke steun zal verlenen aan het WSW. De vooruitzichten van het garantiestelsel van het WSW worden stabiel geacht. Ze verwachten dat de Covid-19 pandemie een beperkte invloed zal hebben op de positie van het WSW, omdat de overheid financiële steun verleend aan kwetsbare huurders. De toezichthouder Autoriteit woningcorporaties (Aw) heeft het rapport waarin geconcludeerd werd dat het WSW de gevraagde zekerheid voor de achtervang niet kan waarmaken. Dit rapport is aangeboden aan het Ministerie van BZK. De Autoriteit Woningcorporaties concludeert dat het onzeker blijft of het kapitaal van WSW toereikend is op het moment dat woningcorporaties in betalingsproblemen komen. Deze conclusie is, voor de garantstellingen van de woningcorporaties, een vergoot risico voor de gemeente door de positie van het WSW.

Specifieke risico’s
Niet van toepassing.

Bandbreedte financiële gevolgen
De woningcorporaties waarvoor de gemeente garant staat zijn Stichting Havensteder, Stichting Woonzorg en Vestia. Het totale openstaande bedrag van deze corporaties is per 31 december 2019 296.692. De kans van voordoen schatten wij als laag: 1%. Het totale risicobedrag komt daarmee op 2.967.

Verantwoordelijken
Ambtelijk:     Financiën
Bestuurlijk:    wethouder Van Veen

Verloop
Eerste moment van opname: Begroting 2020. Ongewijzigd bij Najaarsnota 2019.

Beheersingsmaatregelen
Wij volgen de ontwikkelingen nauwlettend.

Informatie en communicatie
We rapporteren over de ontwikkelingen bij de diverse P&C-documenten.

Bewaking
De afdeling Financiën volgt de ontwikkelingen.

Ondernomen en mogelijke acties
Als gemeente hebben we hier geen invloed op.

Risico's sociaal domein

8. Participatiewet

Omschrijving risico
Risico’s met betrekking tot de ontwikkeling van de Rijksbijdrage BUIG (Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten), Participatiebudget en Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw).

Specifieke risico’s
1) Alternatieve financiering loonkostensubsidie
Eén van de middelen die het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking kan stimuleren is loonkostensubsidie. Hiermee worden werkgevers gecompenseerd die werknemers met een arbeidsbeperking in dienst nemen waarvan de loonkosten hoger liggen dan hun werkelijke productiviteit.
De staatssecretaris heeft een ‘Breed Offensief’ ingezet om belemmeringen weg te nemen die werkgevers ervaren bij het aannemen van mensen met een beperking. Binnen dit Offensief wordt gekeken naar een alternatieve wijze van de financiering van loonkostensubsidie, die wordt gefinancierd via de BUIG. Deze wijziging kan mogelijk een financieel effect hebben op de hoogte van de BUIG. De mogelijke wijziging is nog niet ingevoerd dus is nog niet duidelijk of en welk financieel effect dit mogelijk heeft. Het risico blijft wel bestaan.

2) Onderkant arbeidsmarkt 

  • De eerdere bezuinigingen op de Rijksbijdrage (subsidie per Standaard Eenheid - SE) en de daling van het aantal Wsw-ers leidt tot een hogere gemeentelijke bijdrage.
  • Het ministerie van SZW voert een verdiepend onderzoek uit naar de financiering van beschut werk. Dit kan leiden tot een wijziging in de huidige financieringssystematiek. De verwachting is dat het aanvullend onderzoek nog dit jaar wordt gepubliceerd. 
  • Als gevolg van de cao Sociale Werkvoorziening stijgen per juli 2020 de salarissen van medewerkers die onder de Wet sociale werkvoorziening vallen met 1,6%. Deze loonstijging is niet in het Ondernemingsplan Promen 2020 opgenomen en kan invloed hebben op het resultaat voor 2020. 


3) Stichting CapelleWerkt (SCW)
Functionaris met wachtgeldregeling
Eén functionaris van de Stichting CapelleWerkt heeft een wachtgeldregeling. Op basis daarvan zijn er lagere salarislasten in de begroting van de Stichting CapelleWerkt opgenomen. Zodra de wachtgeldregeling eindigt moet rekening gehouden worden met een volledig marktconform salaris waarvoor geen dekking in de begroting is opgenomen. Hiervoor loopt de gemeente – hoewel relatief klein in omvang – als enig eigenaar, het volledige risico.

Toekomstverkenning SCW
Op 17 maart 2020 is de Toekomstverkenning activiteiten Stichting CapelleWerkt vastgesteld (collegevoorstel 145761). Wij verwachten dat de Stichting CapelleWerkt conform planning in 2021 wordt opgeheven en dat de activiteiten worden ondergebracht bij andere partijen. De medewerkers van CapelleWerkt zullen naar verwachting zoveel als mogelijk worden ondergebracht bij de partijen die de activiteiten van Capellewerkt gaan voortzetten. De gesprekken hierover lopen nog en op dit moment is nog niet aan te geven welke financiële gevolgen dit heeft voor onze gemeente in 2021.

Bandbreedte financiële gevolgen
P.M.

Beheersingsmaatregelen
De realisatie op het Participatiebudget en de BUIG wordt continu gemonitord om optimaal gebruik te maken van het budget. De ontwikkeling van een mogelijke alternatief model van financiering van de loonkostensubsidie wordt nauwlettend in de gaten gehouden.

Verloop
Eerste moment van opname: Voorjaarsnota 2011
Geactualiseerd: elk P&C document sindsdien. 

Verantwoordelijken
Ambtelijk:   Afdeling Samenleving
Bestuurlijk:  Wethouder Westerdijk

Communicatie
In de risicoparagraaf wordt aandacht gegeven aan de te verwachten financiële ontwikkelingen aangaande budgetten en bestedingen.

Bewaking
We rapporteren per P&C document en blijven de ontwikkelingen volgen.

Ondernomen en mogelijke acties
n.v.t.

9. Jeugdhulp

Specifieke risico’s
Het risico ontstaat door een aantal aspecten. Dit kan resulteren in zowel een positief als negatief risico voor onze gemeentelijke begroting. Deze aspecten zijn:

  1. Op basis van de definitieve jaarstukken 2019 van de GR Jeugdhulp gaan wij uit van een meerjarige inleg waarbij ons aandeel voor 2021 en verder 5,091% (2020: 4,974%) bedraagt van het totaal aan bijdragen van de deelnemende gemeenten. Dit gewogen gemiddeld percentage wordt gehanteerd voor de begroting 2021. De komende jaren moet duidelijk worden of dit een reëel percentage is.
  2. Vanaf 2021 wordt de bijdrage van iedere individuele gemeente aan de gemeenschappelijke regeling bepaald door het gewogen gemiddelde gebruik te nemen over twee voorafgaande peiljaren. Evenals de rekenmethodiek die gehanteerd is tot en met 2020,  betaalt bij deze rekensystematiek  iedere gemeente uiteindelijk de eigen kosten. Echter eventuele schommelingen in de kosten worden gedurende twee jaar opgevangen in plaats van drie jaar. Met de nieuwe rekenmethodiek moet het verschil tussen de bijdrage (begroting) van de gemeenten en het werkelijk zorgverbruik dichter bij elkaar komen.
  3. Op basis van de definitieve jaarstukken 2019 van de GR Jeugdhulp bedraagt de overschrijding van de totale inleg over 2019 € 14,54 miljoen. Op grond daarvan is onze extra bijdrage  bijna € 0,89 miljoen. De totale bijdrage 2019 van onze gemeente bedraagt daardoor in totaal € 15,13 miljoen. Voor 2020 is de definitieve begroting van de GR Jeugdhulp met ruim € 18,33 miljoen opgehoogd (+8,0%) tot een totale begroting van € 248,08 miljoen. De ontwerpbegroting 2021 bedraagt in totaal € 246,69 miljoen. Hierin is een taakstelling opgenomen van € 2,69 miljoen. Hoewel de deelnemende gemeenten voor 2021 de taakstelling voldoende hebben onderbouwd, is het onzeker of de taakstelling daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Met als uitgangspunten het gewogen gemiddeld aandeelpercentage van 5,091% en de correctie wegens een lagere zorgproductie over 2019 is de inleg 2021 voor onze gemeente vooralsnog berekend op € 11,31 miljoen. De inleg voor de jaren 2022 en 2023 is mede afhankelijk van de hoogte van de werkelijke zorgkosten over 2020. 
  4. In december 2020 is definitieve besluitvorming door de colleges van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam (MVS) aangekondigd inzake het al dan niet uitreden uit de GRJR per 1 januari 2022. De mogelijke financiële en zorginhoudelijke consequenties van een eventueel uittredingsbesluit zijn op dit moment niet in te schatten. De GRJR neemt het initiatief om deze consequenties in beeld te brengen.
  5. In de periode 2015-2017 is het budget voor jeugd-PGB’s (Jeugd-Persoonsgebonden budgetten) jaarlijks toegenomen. Dit kwam door een stijging van het aantal kinderen dat intensieve zorg behoeft, vooral door het voor jonge kinderen moeilijk toegankelijk zijn van de Wet langdurige zorg (Wlz). Door een substitutie van de uitgaven PGB naar lokale zorg in nature daalden de uitgaven in 2018. Beleidsmatig is dit gewenst, zie onder 5. Op basis daarvan is het budget 2019 bij de Voorjaarsnota 2019 structureel naar beneden bijgesteld. De uitgaven PGB zijn in 2019 binnen het bijgestelde budget gebleven. Tot het derde kwartaal 2020 was het onzeker of de uitgaven  op het niveau van 2019 zouden blijven. Aan de einde van het derde kwartaal 2020 bleek uit opgaven van het CJG en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) dat het budget voor jeugd-PGB´s hoger zal liggen. Omdat de verwachting is dat dit meerjarig zal aanhouden is  structureel  opgehoogd. Het is moeilijk in te schatten of het verhoogde budget toereikend zal zijn. 
  6. Het CJG ziet zich geconfronteerd met een sterke toename van de vraag naar lokale jeugdhulp in de vorm van zorg in natura en beschikkingszorg.  Oorzaken hiervan zijn: de hierboven genoemde moeilijke toegang voor jonge kinderen tot de Wlz, de op zich positieve ontwikkeling van een verschuiving van zwaardere (specialistische) jeugdhulp naar lichtere (lokale) jeugdhulp, een verschuiving van zorg verleend via PGB naar lokale zorg in natura, en daarnaast leidt de succesvolle inzet van het CJG op samenwerking met basisvoorzieningen (onderwijs, huisartsen) en inzet op preventie, tot meer ondersteuningsvragen. Dit is één van de doelen van de transformatie, maar deze leidt voor het CJG tot hogere kosten (inzet eigen trajecten en lokale inkoop).
  7. Partijen als huisartsen, gecertificeerde instellingen en jeugdreclassering hebben een autonoom verwijsrecht naar specialistische jeugdhulp. Daar kan door ons niet rechtstreeks op worden gestuurd. Dit betreft veelal duurdere vormen van jeugdhulp als gesloten plaatsingen of andersoortige uithuisplaatsingen.

Bandbreedte financiële gevolgen 
P.M.

Beheersingsmaatregelen

  1. Een adequate controle systematiek ten aanzien van declaraties en facturen.
  2. Intensiveren van het contractmanagement met de aanbieders van jeugdhulp. 
  3. Komen tot afspraken met Capelse huisartsen over het verwijzen van jeugdigen naar de Stichting CJG Capelle aan den IJssel in plaats van rechtstreeks naar specialistische jeugdhulpaanbieders. Tevens komen tot afspraken met gecertificeerde instellingen en jeugdreclassering over samenwerking bij de zorg rondom jeugdigen.
  4. Structureel overleg met de Stichting CJG Capelle aan den IJssel over het feitelijke (lokale) zorggebruik en de benodigde middelen.

Verloop
1e moment van opname: Najaarsnota 2015..
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Verantwoordelijken
Ambtelijk:     afdeling Samenleving
Bestuurlijk:    Wethouder Hartnagel

Communicatie
P&C-documenten van de GR Jeugdhulp Rijnmond en de Stichting CJG Capelle aan den IJssel.

Bewaking
Kwartaalrapportages van de GR Jeugdhulp Rijnmond en de Stichting CJG Capelle aan den IJssel.

10. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

Omschrijving risico
Sinds 2015 zijn wij verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo-2015. Er spelen verschillende ontwikkelingen, waardoor het lastig is een nauwkeurige bestedingsplanning op te stellen.

Specifieke risico’s
De uitvoering van de Wmo-2015 is onderhevig aan wet- en regelgeving, betreft een openeinderegeling en door de demografische ontwikkelingen (dubbele vergrijzing in Capelle) is er een toenemende vraag naar Wmo- voorzieningen. Mede hierdoor zullen de gehanteerde uitgangspunten in werkelijkheid de komende jaren afwijken van de begrote uitgaven. Een feit is dat de Wmo- uitgaven de afgelopen jaren landelijke fors gestegen zijn, verwachting is dat deze trend zich de komende jaren zal voortzetten.

Daarnaast spelen binnen de Wmo de volgende ontwikkelingen/risico’s:

  • Op basis van diverse uitspraken van de hoogste bestuursrechter kan het zijn dat ook Capelle het resultaatgericht indiceren en financieren los dient te laten wanneer een Capellenaar de stap naar de Centrale Raad van Beroep maakt. Capelle dient dan binnen de indicatiestelling huishoudelijke ondersteuning rekening te houden met de CIZ- normtijden. Dit risico is onder punt 11 “. Uitspraak Centrale Raad van Beroep voor Huishoudelijke ondersteuning (Wmo)” verder uitgewerkt;
  • In de meerjarenbegroting zijn toekomstige prijsstijgingen en –indexaties niet meegenomen. Deze vloeien voort uit contractuele afspraken en toepassing van de AMvB (vaststellen reëel prijs conform Cao-afspraken) en dienen periodiek herzien te worden. De richtlijn van de AMvB reële kostprijs schrijft voor dat voor Wmo- diensten (HO, begeleiding en dagbesteding) een reële kostprijs vastgesteld moet worden. Dit ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening. Om tot een reële kostprijs te komen maken wij gebruik van het landelijk beschikbaar gestelde rekentool opgesteld binnen een samenwerking van de brancheorganisaties alsook de VNG. Toekomstige prijsindexaties zijn onvermijdelijk en financiële dekking dient uit de algemene accressen die aan het gemeentefonds toegevoegd worden gezocht te worden;
  • Voor 2020- 2021 staan 2 aanbestedingen op de planning, te weten de aanbesteding Wmo- Hulpmiddelen en de aanbesteding Wmo- en leerlingenvervoer. Kijkend naar de huidige marktwerkingen en door vergelijking met andere gemeentes is de huidige marktconforme prijs ten opzichte van de vorige aanbesteding fors toegenomen. Onze 1e inschatting is dat de prijs voor het Wmo- vervoer 10 tot 36% zal stijgen en dat voor de hulpmiddelen de prijs 40 tot 60% zal stijgen. De financiële consequenties zijn voor nu onbekend, dit is afhankelijk van de resultaten van de beide aanbestedingen;
  • Een van de hoofdpunten van de Wmo en dus ook van ons beleidskader, is extramuralisering d.w.z. dat mensen zo veel als mogelijk, zo zelfstandig mogelijk en zo lang als mogelijk, thuis te laten wonen. Om dit mogelijk te maken, zijn investeringen in de sociale basisinfrastructuur nodig en zal meer aandacht aan preventie moeten worden geven.

En voor Wmo-collectief:

  • De commissie “Toekomst beschermd wonen” adviseert de functies beschermd wonen en maatschappelijke opvang verder te normaliseren. Concreet betekent dit minder opnames in een intramurale setting en meer opvang en begeleiding in de wijk. Deze extramuralisering is nu al merkbaar en zal de komende jaren verder toenemen. Met ingang van 2021 vindt een doordecentralisatie plaats van Beschermd wonen. De verantwoordelijkheid verschuift van centrumgemeente Rotterdam naar alle zeven gemeenten in de Beschermd Wonen-regio, waaronder onze gemeente. Maatschappelijke Opvang wordt door gedecentraliseerd met ingang van 2025. De regiogemeenten hebben de gezamenlijke opdracht te bepalen hoe ze gaan samenwerken op dit terrein. Overleg hierover vindt plaats. Regionaal is afgesproken dat de looptijd van het huidige Beleidsplan beschermd wonen en het mandaat aan Rotterdam, worden verlengd met een jaar zodat die ook in 2021 geldig zijn;
  • Met de overgang van taken hoort ook de overgang van middelen daarvoor. Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt gewerkt aan een nieuw objectief verdeelmodel waarbij ook de huidige middelen voor begeleiding worden meegenomen. Vanwege de onzekerheid over de financiële consequenties, is gekozen voor een ingroeipad naar het objectief verdeelmodel van 10 jaar (2022-2032). Onduidelijk is of (en wanneer) Capelle hier voor- of nadeel van zal ondervinden;
  • Vanwege doorstroom en uitstroom uit “Beschermd Wonen” zal er de komende jaren vraag gaan ontstaan naar begeleid wonen, een lichtere vorm van wonen met zorg (minder dan 24 uur begeleiding). Het betreft hier de doelgroep die na herindicatie te licht wordt gevonden voor beschermd wonen maar (nog) niet zelfstandig met begeleiding kan gaan wonen. Hetzelfde geldt voor doorstroom en uitstroom uit de (verlengde) jeugdzorg waarbij zelfstandig wonen (met of zonder begeleiding) niet mogelijk is maar betrokkene te licht is voor een indicatie Beschermd wonen. In beide gevallen wordt hier nu binnen Capelle nog niet in voorzien.

Bandbreedte financiële gevolgen: 
P.M.

Verloop
1e moment van opname: Voorjaarsnota 2014.
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Beheersingsmaatregelen
Bewaken en monitoren van de meerjarig prognose.
Monitoren en volgen van landelijke ontwikkelingen.

Verantwoordelijkheden
Ambtelijk: afdeling Samenleving en Publiekszaken
Bestuurlijk: wethouder Wilson

Communicatie
De meest recente ontwikkelingen zijn opgenomen in deze omschrijving.

Bewaking
We rapporteren per P&C-document en blijven de ontwikkelingen volgen.

11. Uitspraak Centrale Raad van Beroep voor Huishoudelijke ondersteuning (Wmo)

Omschrijving risico
Wij lopen een financieel risico op huishoudelijke ondersteuning (HO) wanneer wij ons op basis van gerechtelijke uitspraken moeten houden aan de normtijden van het Centrum Indicatiestelling (CIZ), in plaats van aan onze eigen manier van resultaatgericht indiceren en financieren.


Specifieke risico’s
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 18 mei 2016 uitspraak gedaan in een viertal zaken over HO op grond van de Wmo. Kern van de uitspraken is dat toekenning van HO in resultaatsgebieden een duidelijke maatstaf mist en zodoende in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In de uitspraak beval de rechter de betreffende gemeenten CIZ- normtijden als maatstaf te hanteren.

De VNG, het ministerie van VWS en de landsadvocaat Pels Rijcken hebben een toelichting gegeven over de consequenties van de uitspraken van de CRvB voor Wmo beleid van de gemeente. Net als het gros van de gemeenten in Nederland werken wij met een resultaatgerichte indicering. De CRvB heeft aangegeven dat dit niet zomaar mag. Er zijn een aantal voorwaarden waaraan we moeten voldoen:

  1. Het noemen van tijd in de beschikking is noodzakelijk in verband met de rechtszekerheid.
  2. De tijd moet gebaseerd zijn op ‘deugdelijk onderzoek’.
  3. In het individuele geval moet worden getoetst of de tijd ook passend is voor de cliënt. De CRvB verwijst voor een deugdelijke tijd norm naar de norm tijden van het CIZ uit 2007 of het norm tijden onderzoek wat de gemeente Utrecht heeft laten uitvoeren door KPMG en Bureau HHM.


Wanneer wij gebruik gaan maken van de CIZ normtijden dan betekend dit dat de uitgaven van de gemeente fors zullen stijgen. In 2007 en in 2015 waren de stijgende kosten voor de regering de reden om te gaan decentraliseren en heeft men tegelijkertijd een forse bezuinigingsopdracht meegegeven.

Bandbreedte financiële gevolgen
Mochten wij genoodzaakt zijn resultaatgericht indiceren los te laten en de CIZ- normtijden (of een alternatief) alsnog in te voeren dan verwachten wij op grond van de kostenberekening 2014 (het laatste jaar waarin CIZ- normtijden gehanteerd zijn) voor 2017 en verder een extra budget van N 900 nodig te hebben. Wij stellen u derhalve voor dit als risico op te nemen.
De kans van voordoen beschouwen wij als laag (25%), met inachtneming van de voorgestelde wetswijziging.

Beheersingsmaatregelen
Niet van toepassing

Verloop
Eerste moment van opname: Begroting 2017.
Geactualiseerd: elk P&C-document sindsdien.

Verantwoordelijken
Ambtelijk: afdeling Publiekszaken
Bestuurlijk: Wethouder Wilson

Bewaking en communicatie
Wij volgen de ontwikkelingen via jurisprudentie en informatie vanuit de VNG.

Ondernomen en mogelijke acties
Opvolgen en uitvoeren van landelijk beleid in opvolging van de uitspraak.

12. Openeinderegelingen voor inkomensondersteunende regelingen

Omschrijving risico
Inkomensondersteunende regelingen zijn succesvol bij hoog bereik en gebruik maar kunnen bij sterk toenemend gebruik zorgen voor oplopende kosten.

Specifieke risico’s
Veel inkomensondersteunende maatregelen zoals de bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag zijn feitelijk succesvol wanneer het bereik en gebruik hoog is. Gezien de aard van de regelingen is uitsluiting van gebruik door Capellenaren niet mogelijk en niet gewenst.

Bandbreedte financiële gevolgen 
P.M.

Beheersingsmaatregelen
De te nemen maatregelen zijn afhankelijk monitoring van de budgetten. Dit leidt tot eventueel bijstelling van beleid of aanraming van het beschikbare budget.

Verloop
Eerste moment van opname: Najaarsnota 2018.
Geactualiseerd: Jaarrekening 2018 en Voorjaarsnota 2019.

Verantwoordelijken
Ambtelijk:   Afdeling Samenleving
Bestuurlijk:  Wethouder Westerdijk

Communicatie
Communicatie via reguliere P&C-cyclus.

Bewaking
Budgetten worden gemonitord waarna bijstelling van beleid zou kunnen volgen of aanraming van het beschikbare budget.

Overige risico's

13. Onderwijshuisvesting voortgezet bijzonder onderwijs

Omschrijving risico
Dit risico gaat over de mogelijke financiële consequenties van de nieuwbouw voor het Comenius College.

Specifieke risico’s
U heeft in uw vergadering van 15 februari 2010 ingestemd met de notitie ‘de ontwikkeling van twee unilocaties’, waarin de nieuwbouw van het Comenius College is benoemd. Deze nieuwbouw valt uiteen in twee fases. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan deze fase is vastgelegd in de beschikking van 17 december 2010 met kenmerk D41/182856. De eerste fase is inmiddels in gebruik genomen. De tweede fase zou volgens deze beschikking mogelijk in 2023 in gebruik worden genomen. Door vertegenwoordigers van het Comenius College is in 2017 aangegeven dat de school en het schoolbestuur voordelen zien in een latere in gebruik name van de tweede fase. Inmiddels wordt uitgegaan van een oplevering van de tweede fase in 2026, dan wel 2027.
De beschikking van 2010 ging uit van een ruimtebehoefte, gebaseerd op 1.341 leerlingen. Het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2019 bedroeg echter 1.876 leerlingen en stijgt volgens de meest recente prognose (eerste kwartaal 2020) door naar 1.995 leerlingen voor deze locatie op 1 oktober 2037, de laatste teldatum die in de prognose is opgenomen. Een dergelijke stijging van het aantal leerlingen ten opzichte van de oorspronkelijke beschikking leidt niet alleen tot de noodzaak van het realiseren van meer onderwijskundige vierkante meters, maar heeft ook tot gevolg dat we naar verwachting een vijfde ‘gymvloer’ moeten realiseren. In 2010 gingen we nog uit van vier ‘gymvloeren’.
Naar aanleiding van de gegevens van 2010 verwachtten we dat voor de tweede fase van het Comenius College circa N 3.000 aan financiering nodig zou zijn voor de realisatie van de benodigde onderwijskundige vierkante meters (inclusief gymvoorziening, maar exclusief sloop, verhuizing en tijdelijke huisvesting). Bij het verloop van de Reserve Grote investeringen was beoogd dat het saldo beschikbaar was om de tweede fase van het Comenius College af te ronden. Het ‘Besluit Begroting en Verantwoording’ schrijft voor dat te activeren kosten zowel de vervaardigingprijs omvat, als de overige rechtstreeks aan de vervaardiging te relateren kosten. Om deze reden leidt de investering voor nieuwbouw van de tweede fase van het Comenius College op de bestaande locatie altijd tot een structurele extra kapitaallast binnen de gemeentelijke begroting.
Wij houden rekening met een stijging van de financieringsbehoefte. Dit komt door kostenstijgingen in de bouw en door de wijziging van het Bouwbesluit vanaf 2020, waarin ‘bijna energie neutrale gebouwen’ (BENG) de norm id. Dit laatste zal prijsverhogend werken bij nieuwbouw. In beginsel gaan wij uit van de VNG normbedragen, maar wij monitoren ook de mate waarin realistische marktconforme investeringen zich verhouden tot deze normbedragen. De aanbesteding staat pas over enkele jaren gepland. Het laat zich moeilijk voorspellen hoe de normbedragen en het marktconforme prijspeil zich in de loop van de jaren ontwikkelen. De huidige doorrekening betreft een aanvullende investering van € 16,5 miljoen (prijspeil 2020) vanaf heden, inclusief BTW en alle andere kosten, inclusief twee gymzalen. Het bedrag van € 16,5 miljoen is opgenomen in onze meerjarige doorkijk (was € 12 miljoen). Aanbesteding zal naar verwachting in 2023 plaatsvinden, dit bedrag zal dan ook nog geïndexeerd worden. De beslissing of er één of twee gymzalen dienen te worden gebouwd zal in 2021 volgen. Wij hebben de intentie om bij Voorjaarsnota 2021 te besluiten over het definitieve investeringsbedrag. Indien dit gebeurd kan definitieve besluitvorming door ons in het laatste kwartaal van 2021 plaatsvinden, eventueel kan dit ook in 2022 gebeuren. Sloop van het oude deel van het Comenius College vindt dan plaats in 2024. Oplevering is gepland in 2026.
Bij de nieuwbouw van scholen hebben wij de intentie om tijdelijke huisvesting zoveel mogelijk te beperken en indien tijdelijke huisvesting toch noodzakelijk is, proberen wij deze huisvesting opvolgend voor meerdere scholen in te zetten. Op deze wijze gaan wij zo efficiënt mogelijk om met (de financiële lasten voor) tijdelijke huisvesting. In vervolg op vaststelling van de Najaarsnota 2018 en Voorjaarsnota 2019 is daarom aan de Lijstersingel tijdelijke huisvesting voor scholen gerealiseerd, verdeeld over twee gebouwen. Deze tijdelijke huisvesting wordt in eerste instantie ingezet voor de Eben Haëzerschool en De Bouwsteen, daarna voor een deel van de leerlingen van de scholen aan de Meeuwensingel en tot slot voor een deel van de leerlingen van het Comenius College.

Bandbreedte financiële gevolgen
De resterende investeringsbehoefte voor de nieuwbouw van de tweede fase Comenius College bedraagt 11.000 tot 20.000 met een afschrijvingslast (exclusief rente) van maximaal 500 structureel. De bijbehorende financieringslasten bedragen circa 388 (2,5% rente * gemiddelde bouwsom). De kans van voordoen beschouwen wij als hoog. Vanwege de grote omvang van het krediet hebben wij, vooruitlopend op besluitvorming, in de doorkijk van de meerjarenbegroting al de bedragen opgenomen. Wij verwachten uiterlijk in de Voorjaarsnota 2021 een voorstel voor de nieuwbouw op te nemen.

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Afdeling Samenleving (en andere afdelingen)
Bestuurlijk: Wethouder Struijvenberg

Verloop
Eerste moment van opname: Begroting 2017. Geactualiseerd elk P&C-document sindsdien (soms ongewijzigd). 

Beheersingsmaatregelen
Prognoses zijn zo goed mogelijke voorspellingen voor de toekomst op basis van de meest recente aanwezige gegevens. Met name op schoolniveau kunnen in de loop der jaren wijzigingen in de prognoses plaatsvinden en ook in de praktijk kan het leerlingenaantal afwijken van prognoses. Hierom laten wij prognoses gewoonlijk om de twee jaar actualiseren. De te verwachten lasten voor nieuwbouw en terug verhuizen verwerken wij uiterlijk bij de Voorjaarsnota 2021. Wij nemen uiterlijk in 2022 de beslissing over de definitieve grootte van de tweede fase van het Comenius College, op basis van de dan geldende prognoses. In aanloop hier naar toe laten wij jaarlijks prognoses opstellen voor alle scholen in Capelle, naar aanleiding waarvan ook de financiële prognose voor de tweede fase van het Comenius College bijgesteld wordt.

Informatie en communicatie
In de risicoparagraaf schenken wij aandacht aan de te verwachten financiële financieringsbehoefte voor de tweede fase van het Comenius College.

Bewaking
Naar aanleiding van prognoses brengen wij jaarlijks het aantal te verwachten vierkante meters en de financieringsbehoefte in kaart.

14. Daling en stijging leerlingen onderwijshuisvesting

Omschrijving risico
Wij zijn over het algemeen geen eigenaar van schoolgebouwen, maar bezitten wel het zogenoemde ‘economisch claimrecht’. Dit betekent dat het eigendom van een schoolgebouw naar de gemeente terugvloeit, zodra het onderwijs in dit gebouw stopt. Wanneer scholen voornemens zijn om op termijn te sluiten, brengt dit zowel financiële als niet- financiële risico’s met zich mee. Wanneer scholen daarentegen groeien, moet de gemeente zorg dragen voor voldoende adequate onderwijshuisvesting en hebben scholen recht op een bedrag voor eerste inrichting en onderwijsleerpakket. Dit brengt financiële risico’s met zich mee.

Specifieke risico’s
Het eigendom van schoolgebouwen kan bij verschillende partijen liggen, maar over het algemeen ligt het juridisch eigendom van een schoolgebouw bij het schoolbestuur. Ook in Capelle is dit het geval, uitzondering hierop betreft de scholen die gehuisvest zijn in het MFC Fascinatio en de aanwezige tijdelijke huisvesting voor het onderwijs (onder meer bij de Lijstersingel). Bij het beëindigen van het gebruik van een schoolgebouw door een schoolbestuur wordt het eigendom van dit gebouw aan de gemeente ‘om niet’ overgedragen. Dit wordt ook wel het ‘economisch claimrecht’ van gemeenten genoemd.

Indien een schoolbestuur besluit om een onderwijslocatie te sluiten en het bijbehorende gebouw over te dragen aan de gemeente, dan is er sprake van een (onvermijdelijke) groei van de gemeentelijke vastgoedportefeuille. Dit biedt soms mogelijkheden; wellicht dat de locatie of het gebouw gebruikt wordt voor herontwikkeling, dan wel dat er huurders gevonden worden. Echter, het brengt ook risico’s met zich mee. Maatschappelijke risico’s in de zin dat een school, die vaak een belangrijke rol in een buurt vervult, verdwijnt en het risico op leegstand van een pand. Ook financieel liggen er risico’s. Als wij besluiten een gebouw te slopen, brengt dit kosten met zich mee. Indien wij wensen dat het gebouw in gebruik blijft zijn er -zolang er geen gebruiker/huurder bekend is- risico’s aangaande onderhouds- en exploitatielasten. De gemeente betaalt nu al de kosten voor OZB en verzekeringen van schoolgebouwen, voor deze financiële componenten is dan ook dekking binnen de huidige gemeentelijke begroting.

Wanneer scholen groeien, moet de gemeente zorg dragen voor voldoende adequate onderwijshuisvesting, de kosten voor OZB en verzekeringen betalen en hebben scholen recht op een bedrag voor eerste inrichting en onderwijsleerpakket.

Bandbreedte financiële gevolgen
Niet te kwantificeren. Indien het zich voordoet betreft het eenmalige kosten. De kans van voordoen beschouwen wij als gemiddeld (50%).

Beheersingsmaatregelen
Wij laten vanaf heden jaarlijks prognoses maken om de leerlingenontwikkeling te monitoren. Naar aanleiding daarvan maken wij een analyse over welke scholen wel en niet, binnen de huidige wet- en regelgeving, formeel als zelfstandige school (of nevenvestiging) kunnen blijven bestaan. Ook maken wij een analyse over welke scholen in de toekomst recht zouden kunnen krijgen op extra onderwijskundige ruimte en een financiële bijdrage aangaande eerste inrichting en onderwijsleerpakket. Hierover treden wij in overleg met de schoolbesturen.

Verloop
Eerste moment van opname: Voorjaarsnota 2017
Vervolg: Begroting 2018 (ongewijzigd), Najaarsnota 2017 (ongewijzigd), Jaarrekening 2017 (ongewijzigd), VJN 2018 (geactualiseerd), Begroting 2019 (ongewijzigd), Najaarsnota 2018 (ongewijzigd), Voorjaarsnota 2019 (ongewijzigd), Begroting 2020 (ongewijzigd), Najaarsnota 2019 (ongewijzigd), Jaarrekening 2019 (ongewijzigd), Voorjaarsnota 2020 (ongewijzigd), Begroting 2021 (ongewijzigd), Najaarsnota 2020 (ongewijzigd)

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Afdeling Samenleving en afdeling Facilitaire Diensten
Bestuurlijk: Wethouder Struijvenberg en wethouder Van Veen

Communicatie
In de risicoparagraaf schenken wij blijvend aandacht aan de te verwachten financiële ontwikkelingen aangaande de mogelijke opheffing van scholen, evenals aan de mogelijke financiële gevolgen van de stijging van het leerlingenaantal bij specifieke scholen.

Bewaking
Via het ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg’ (Onderwijsplatform) bespreken wij met de schoolbesturen de ontwikkelingen aangaande de leerlingenaantallen en de toekomst van onderwijshuisvesting.

15. Nieuwbouw voortvloeiende uit Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs

Omschrijving risico
Dit risico gaat over de mogelijke prijsstijging van de ontwikkelingen voortvloeiende uit het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs.

Specifieke risico’s
Bij vaststelling van de Najaarsnota 2018 heeft u besloten om een bedrag beschikbaar te stellen van in totaal 28.460 voor:

  • nieuwbouw van de Eben Haëzerschool / Rehobothschool, inclusief gymzaal, op de huidige CSV-locatie (ontwikkeling 1);
  • nieuwbouw aan de Meeuwensingel voor De Horizon, De Klim-Op en voor enkele lokalen van de Montessorischool, inclusief gymzaal (ontwikkeling 2) en
  • nieuwbouw onderwijshuisvesting in de Florabuurt omgeving, inclusief gymzaal (ontwikkeling 3).

Opvolgend op de Najaarsnota 2018 hebben wij in januari 2019 voor de ontwikkelingen 1 en 2 een beschikking afgegeven waarin staat opgenomen dat vervangende nieuwbouw van de desbetreffende scholen wordt toegekend. Schoolbesturen kunnen hieraan dan ook rechten ontlenen. Voor 1 ontwikkeling 1 is inmiddels een aanbesteding doorlopen. Naar aanleiding hiervan is het aannemelijk dat de ontwikkeling binnen het door u vastgestelde budget gerealiseerd kan worden. Voor ontwikkeling 3 hebben wij (vooralsnog) geen beschikking af gegeven waarmee vervangende nieuwbouw wordt toegekend. De reden hiervoor is dat onderwijshuisvestingsontwikkelingen in Schenkel onlosmakelijk verbonden zijn met de gebiedsontwikkeling Florabuurt. Uw raad beslist, naar verwachting in 2021, over de gebiedsvisie Florabuurt. Wij zijn van mening dat nadere invulling van eventuele nieuwbouw of aanpassingen van scholen in het Florabuurt gebied pas kan plaatsvinden na of gelijktijdig met vaststelling van deze gebiedsvisie. Definitieve besluitvorming over toekomstige onderwijshuisvesting in de Florabuurt loopt bij voorkeur dan ook parallel aan de besluitvorming over dit gebied.

Het door u bij de Najaarsnota 2018 toegekende bedrag is een marktconform budget bij aanbesteding in 2019. De prijsontwikkeling in de bouw naar de toekomst toe laat zich in de huidige omstandigheden moeilijk voorspellen. Er is een reëel risico op prijsstijgingen in de bouw. Bij de derde ontwikkeling in de Florabuurt omgeving gaan wij er daarnaast vanuit dat tijdelijke huisvesting niet nodig is. Indien dit wel nodig blijkt te zijn, dit is afhankelijk van de uiteindelijke planvorming, brengt dit aanvullende kosten met zich mee.

De algemene ledenvergadering van de VNG heeft in juni 2018 unaniem de motie-Heerhugowaard aangenomen, waarin opgeroepen wordt om in gesprek te gaan met het Rijk en onderwijsorganisaties over een substantiële verhoging van de bekostiging voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. De VNG voert hier op dit moment onderzoek en lobbywerkzaamheden voor uit. Deze informatie heeft ook raakvlakken met het risico ‘onderwijshuisvesting voortgezet bijzonder onderwijs’.

Bandbreedte financiële gevolgen
Aanvullende investeringsbehoefte van 2.000 tot 6.000 met een afschrijvingslast (exclusief rente) van maximaal 150 structureel vanaf 2024. De kans van voordoen beschouwen wij gezien de huidige marktomstandigheden in de bouw als hoog (75%).

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Afdeling Samenleving (en andere afdelingen)
Bestuurlijk: Wethouder Struijvenberg

Verloop
Eerste moment van opname: Voorjaarsnota 2018.
Vervolg: Begroting 2019 (geactualiseerd), Najaarsnota 2018 (geactualiseerd), Voorjaarsnota 2019 (geactualiseerd), Begroting 2020 (ongewijzigd), Najaarsnota 2019 (ongewijzigd), Jaarrekening 2019 (ongewijzigd), Voorjaarsnota 2020 (ongewijzigd), Begroting 2021 (ongewijzigd), Najaarsnota 2020 (geactualiseerd).

Beheersingsmaatregelen
Eerst zal besluitvorming plaatsvinden door uw raad (vaststellen kaders), waarna vervolgens beschikkingen afgegeven zullen worden aan de desbetreffende schoolbesturen. De fasering kan per ontwikkeling verschillen. De projecten zijn ingebed in een projectstructuur waarbinnen wij diverse kaders zoals inhoud, planning en financiën zorgvuldig en realistisch op elkaar afstemmen.

Informatie en communicatie
Aangaande ontwikkeling 3 geldt dat uw raad naar verwachting in 2021 over de gebiedsvisie Florabuurt beslist. Besluitvorming over de scholen in het Florabuurt gebied vindt plaats na of gelijktijdig met de vaststelling van deze gebiedsvisie. In de risicoparagraaf schenken wij, in ieder geval tot aan het moment van gunning, aandacht aan de mogelijke financiële risico’s voor de 3 genoemde ontwikkelingen.

16. Overschrijding budget door hogere aanneemsom

Omschrijving risico’s
Door de aantrekkende economie in de afgelopen jaren is er over het algemeen sprake van hogere prijzen voor materiaal en arbeid. Dit zien we terug in de aanbestedingen. Het risico bestaat dat de aanneemsom het beschikbare budget structureel significant overschrijdt. Dit kan ook effect hebben op de financiering van de gemeente: de benodigde externe financiering en de rentelasten nemen toe.

Specifieke risico’s
De afgelopen jaren zijn wij geconfronteerd met duurder uitvallende investeringen, bijvoorbeeld voor het zwembad Aquapella (Voorjaarsnota 2018), het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (Najaarsnota 2018) of projecten in de openbare ruimte (Voorjaarsnota 2020). De prijzen in de bouw zijn behoorlijk gestegen. Het risico bestaat dat dit meer projecten in de toekomst boven hun budget uitkomen.

Bandbreedte financiële gevolgen
Het risico is op dit moment niet te kwantificeren.

Verantwoordelijken
Gehele organisatie.

Ondernomen en mogelijke acties
Wij blijven de ontwikkeling van de aanneemsommen en de eventuele overschrijdingen volgen om de financiële risico’s te beoordelen. Voor indexeringen plaatsen we jaarlijks bij de Begroting een Stelpost Prijzen / Indexeringen op programma 0. In de Begroting 2021 is deze echter al volledig benut.

Communicatie
Indien wij op basis van aanbestedingen kunnen concluderen dat er sprake is van structurele overschrijdingen, leggen wij u een wijzigingsvoorstel voor in de Begroting, Voorjaarsnota of Najaarsnota.

17. Grondexploitaties

Omschrijving risico
Voor de toekomstige verwachte kosten en opbrengsten worden aannames gebruikt ten aanzien van de planning, verwachte verkoopprijzen, geraamde kosten, verwachte rentelasten, plankosten, etc. Er zijn verschillende onzekerheden en risico’s die het begrote financiële eindresultaat van de grondexploitatie kunnen beïnvloeden. Er is een onderscheid te maken tussen enerzijds risico’s met betrekking tot de kosten en opbrengsten die specifiek binnen een grondexploitatiecomplex kunnen worden erkend en anderzijds risico’s die voor de grondexploitatieportefeuille als geheel gelden.

Specifieke risico’s
In de geheime bijlage Actualisatie Grondexploitaties bij de Najaarsnota 2020 beschrijven we de voornaamste risico’s, de kansen en beheersingsmaatregelen per project.

Bandbreedte financiële gevolgen
0 – 1.400 (gemiddeld 700)
Het betreft verschillende soorten risico’s met zowel hoge als lage kansen van voordoen. We gaan uit van de gemiddelde kans van 50%.

Verantwoordelijken
Ambtelijk: Afdeling Stadsontwikkeling
Bestuurlijk: Wethouder Van Veen

Verloop
Eerste moment van opname in P&C-document: Najaarsnota 2019

Beheersingsmaatregelen
In de geheime bijlage Actualisatie Grondexploitaties bij de Najaarsnota 2020 beschrijven we de voornaamste risico’s, de kansen en beheersingsmaatregelen per project.

Informatie en communicatie
In de risicoparagraaf zal blijvend aandacht geschonken worden aan dit risico.

18. Kosten coronacrisis Veiligheidsregio

Omschrijving risico
In verband met de bestrijding van de Covid-19 pandemie heeft de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) dit voorjaar diverse kosten gemaakt, waaronder het inrichten van een noodziekenhuis in Rotterdam Ahoy en het inrichten van zorghotels. Er loopt nog een verzoek tot compensatie van de kosten bij het Rijk. De zorgverzekeraars hebben een verzoek tot compensatie voor kosten afgewezen. Dit verzoek ligt nu ook bij het Rijk. Het risico bestaat dat dit wordt afgewezen door het Rijk.

Specifieke risico’s
De consequentie van een eventuele afwijzing van het Rijk is dat de ‘eigenaren’ van de VRR, de deelnemende gemeenten op dit moment een financieel risico lopen bij afwijzing van het verzoek door het Rijk.

Bandbreedte financiële gevolgen
Het totaal risico betreft ongeveer € 8,4 miljoen. Omgerekend naar Capelle gaat het om ongeveer N 450. De kans dat zich dit voordoet,  beschouwen wij als middel groot (50%), met de kanttekening dat de kans moeilijk te voorspellen is omdat een dergelijke situatie zich nog niet eerder heeft voorgegaan.

Verloop
Eerste moment van opname: Begroting 2021.

Beheersingsmaatregelen
De VRR dient een claim in bij het Rijk. Wij hebben verder geen invloed op de afwikkeling van het risico.

Verantwoordelijkheden
Ambtelijk: afdeling BCO
Bestuurlijk: Burgemeester

Communicatie
We rapporteren over de ontwikkelingen bij de diverse P&C-documenten of vaker via collegebrieven, indien nodig.

Bewaking
In onze gesprekken met de VRR en via de P&C-documenten van de VRR bewaken wij de voortgang van het risico.